De Kaboutervloek van Linden
Psst… hoor je het tikken, het stampen, het gaan?
De klompen van kabouters… ze komen eraan.
Lang, heel lang geleden, hier op de heuvel zo grauw,
stond een kasteel van kabouters, donker en blauw.
Ze werkten zo vlug, zo slim en zo fijn,
geen klus was te groot, geen werk te klein.
De proost van de abdij had een toren in zicht,
en vroeg de kabouters: “Maak hem hoog en licht!”
De kabouters knikten, hun handen vol kracht,
en in twee maanden stond de toren vol pracht.
Maar bovenop legden ze—duivels gemeen—
een zware, betoverde, magische steen.
Wie hem ooit zou verplaatsen, zo zwaar als de nacht,
zag de toren instorten—een angstwekkende macht!
De proost schonk hun goud, een glanzende schat,
maar de kabouters werden door hebberigheid gevat.
Ze sloten zich op, vergaten de deur,
zo bevangen door die glinsterende kleur.
Ze stierven bij ’t goud, zo grauw en ongehoord,
met gruwelijke pijn, door honger vermoord.
Hun zielen dwaalden, hun vloek bleef bestaan,
de schat in de kelder, geen mens kon eraan.
Eeuwen verstreken, de heuvel bleef stil,
tot boer Pieter kwam met een koppige wil.
Hij bouwde zijn hoeve, compleet en kordaat,
vlak boven het oord waar de vloek nog bestaat.
Maar ’s nachts klonk gestamp, geblaf en ijzig geklank,
een jagerkabouter, met hart vol wrok en stank.
Zijn honden gromden en klompen dreunden,
door gangen en zolders waar de duisternis kreunde.
Pieter’s knechten gilden van schrik, hun gezichten vol schroom,
toen een wreed spook op klompen hen sloeg in een droom.
Ten einde raad zocht Pieter een wijze,
een duiveluitdrijver, ja, een schijnheilige grijze.
“Neem een Paaskaars mee, een stukje gewijd,
dan wijkt het duister en blijf je in lichtheid.”
Met trillende handen, een vlam in de nacht,
daalde Pieter af naar de kelder vol pracht.
Daar lag het goud, zo blinkend en fel,
en botten van kabouters—een akelig spel.
Hij begroef hun resten, maar hield het metaal,
toch bleef de vloek… het werd hem fataal.
Zijn goud werd zijn ondergang, armoe zijn lot,
de kabouters lachten, hun vloek was nog hot.
En wie nu hier wandelt, bij maanlicht en wind,
hoort klompen en honden, waar de nacht begint.
Dus luister en huiver, wees in stilte geplaagd,
want spoken op klompen… zijn nooit echt verjaagd.